woensdag 24 juni 2026



De lift, een droom


Hein en ik hadden Jacques ontmoet ergens en met z’n drieën gingen we naar zee. Hein zat in een rolstoel en Jacques duwde hem. Op de boulevard gingen Hein en Jacques op een bankje zitten om bij te praten. Langs de kust was veel industrie en in de verte was de stad zichtbaar. Ik ging op verkenning, ging een duintje op om de omgeving beter te kunnen zien. Toen ik omkeek zag ik dat Hein en Jacques weer teruggingen. Dit keer trok Jacques de rolstoel en Hein erachter, alsof hij in een kleine koets zat. Ze hadden behoorlijke vaart, ik moest er hard achteraan rennen om te zorgen dat ik ze niet uit het oog verloor.


In de stad gekomen zag ik ze verdwijnen in een groot gebouw. Bij binnenkomst stond ik in een grote hal vol met liftdeuren. Hein stond bij een lift te wachten. Jacques was verdwenen. Geen rolstoel te bekennen. De lift kwam, Hein stapte in en ik moest weer rennen om er ook in te stappen. Achter me riep iemand mijn naam. Ik keek om. Een onbekende man. Hij kende me. Ook hij nam de lift.


Eenmaal binnen bevonden we ons in een grote ruimte met houten banken langs de kant. Hein zat op een van de banken en had allerlei papieren bij zich. Om hem heen stond een groep mensen. Hij praatte ergens over en deelde papieren uit. Langzaam begreep ik dat hij over Maarten vertelde en dat de mensen er met veel aandacht naar luisterden.


De lift stopte. Mensen stapten uit. Het groepje rond Hein werd langzaam kleiner tot iedereen weg was. Ik riep dat hij ook de lift uit moest, maar hij was zijn papieren aan het verzamelen. Ik werd wanhopig, hij moest eruit. Ik riep harder, schreeuwde bijna. Eindelijk stond hij op. Een vrouw legde haar hand op mijn arm, lachte vertederd naar me en zei: “zo gaat het altijd, hè. Zo doen wij vrouwen dat.” En Hein kwam, tot mijn grote opluchting, op tijd de lift uit.

vrijdag 12 juni 2026

Droom


Ik sta met een groepje mensen voor een huis waar we overnacht hebben. We staan op het punt om naar het station te gaan. Mijn telefoon gaat en als ik hem oppak is het mijn moeder. Ze is woedend. Ik zou bij mijn ouders op bezoek gaan, maar had niets van me laten horen. Dat doe ik altijd, zegt ze. Ik houd nooit rekening met haar. 
Maar, geen probleem, gaat ze verder. Mijn vader komt ons straks ophalen bij station … Ze noemt een dubbele plaatsnaam, maar ik versta haar niet. Ik voel me bang en schuldig, durf niet naar de stationsnaam te vragen en beloof dat we er op de afgesproken tijd zullen zijn.

Mijn metgezellen raden me aan kaartjes te kopen op het station en denken dat de naam van het station daar wel duidelijk zal worden. Maar dat gebeurt niet. Ik maak me zorgen dat mijn vader ergens voor niets staat te wachten en ben nog steeds overstuur van de woede van mijn moeder.

Ik word wakker, maar blijf in een halfslaap zoeken naar de naam van het station, zodat mijn vader daar niet voor niets staat. Eindelijk word ik echt wakker en dringt tot me door dat alles een droom is, dat er geen sprake is van schuld en dat ze er beiden niet meer zijn.

donderdag 30 april 2026

 Lente 


Er is elk jaar een moment dat tot me doordringt dat de winter voorbij is. Hoewel voor mijn raam de bomen allang groen worden, elk in hun eigen kleur, elk op hun eigen tijd, hoewel de iepen hun vruchten bijna loslaten in een wilde storm en de stoepen erdoor onder sneeuwen, toch is er dat ene moment telkens weer.

Dit jaar, 30 april, is de eerste warme, zonnige lentedag. De zon kleurt de flat aan de overkant goudgeel. En daar, op acht hoog, helemaal aan het uiteinde, hebben de bewoners voor het eerst hun parasollen neergezet, hun tuinstoelen uit de berging gehaald, hun zonnebrandcrème te voorschijn gehaald en vieren ‘s ‘s avonds om acht uur de zomer.
En opeens komen hier alle herinneringen boven aan de zomer en behoort de winter opnieuw tot het verleden.






zondag 29 maart 2026

Een droom






De bussen in Noord krijgen andere routes en ik probeerde vanmiddag te begrijpen wat dat voor mij betekende. Een moeizame poging met een verwarrende GVB website.


Daarvóór waren we met Ingrid naar een tentoonstelling geweest over Jan Toorop. Ze had ons opgehaald - een mooie rit over bekende autowegen, door het Gooi naar het Singermuseum. En terug namen we voor het eerst sinds maanden de trein. Het Naardermeer lag er in al zijn schoonheid nog steeds, niet weggevaagd door bouwprojecten, die in onze eigen buurt al het groen opslokken.


Deze nacht droomde ik dat ik naar school moest om een tekst voor te lezen. De school lag ver weg en was per bus te bereiken. Ik zocht uit wanneer de bus zou rijden. Na veel moeite bleek hij om 01.24 uur te vertrekken en tegen de ochtend pas bij de school aan te komen. Iemand zei: een mooie aankomst, de dauw ligt dan op het gras.


De jongen vertelde het aan zijn vader en vroeg of hij hem niet weg kon brengen. Met de auto was het maar een klein stukje. De vader stemde in, maar stelde als voorwaarde dat het kind eerst zijn tekst aan hem moest voordragen. Na het avondeten zouden ze dan vertrekken. Het voorlezen begon en het kind ontdekte dat er in de tekst meer lagen waren dan hij gedacht had. Al lezend legde hij nu andere accenten. Er waren meer personen aan het woord. Een van de personen was zijn zuster die bedroefd was over alles wat haar overkwam. Het voorlezen veranderde in een betoverend begrijpen.


De vader moest iets anders doen en verdween. De jongen ging verder met het voordragen van de tekst, maar de magie verdween. Allengs werd het weer een gewoon opzeggen van de woorden. Hij probeerde terug te keren naar het moment dat alles helder was, maar het lukte niet meer.


Op dat moment werd ik wakker, de droom ijlde nog door. In mijn half-wakkere toestand probeerde ik nieuwe woorden te zoeken, in de hoop de betekenis terug te vinden. Langzaam werd ik echt wakker en bleef alleen de herinnering.



Afbeelding: Jan Toorop, De pelgrim, 1921.





zondag 15 maart 2026






80+

De wereld wordt klein en stil hierbinnen. Buiten raast de storm van oorlog. Nu nog ver weg, maar als de berichten waar zijn komt ook voor ons de waanzin steeds dichterbij.


Onze wereld bestaat uit vijf kilometer rondom ons huis. Te voet. Daarin is alles binnen bereik. Ook een bushalte en een metrostation. Maar daar maken we nog zelden gebruik van. 


De geest wil meer, legt zich niet neer bij de werkelijkheid van het oud worden. Oud zijn is al helemaal niet geaccepteerd… 

In ons hoofd maken we nog de oude plannen (vakantie op Texel), hebben nog steeds nieuwe wensen. Bucketlijsten zouden hier op hun plaats zijn. Voorbeeld voor hem: nog één keer een grote reis, naar Japan. Voor haar: nog één keer Noorwegen, desnoods met een cruise.


Oud zijn is een kunst. Aanpassen, maar niet zonder leven, zonder genieten en zonder aandacht voor het proces dat zich nu ontwikkelt.


Herman Hesse zegt het prachtig in zijn gedicht ‘Stufen’:


‘Wie jede Blüte welkt und jede Jugend

Dem Alter weicht, blüht jede Lebensstufe,

Blüht jede Weisheit auch und jede Tugend

Zu ihrer Zeit und darf nicht ewig dauern.

Es muß das Herz bei jedem Lebensrufe

Bereit zum Abschied sein und Neubeginne,

Um sich in Tapferkeit und ohne Trauern

In andre, neue Bindungen zu geben.’

De lift, een droom Hein en ik hadden Jacques ontmoet ergens en met z’n drieën gingen we naar zee. Hein zat in een rolstoel en Jacques duwde ...